Pianist Jacob Bogaart heeft met The art of Dutch keyboard music een uniek monument opgericht voor de Nederlandse pianomuziek. Waarmee bedoeld wordt: muziek die in de loop der eeuwen door Nederlandse componisten voor piano, pianoforte of klavecimbel is gecomponeerd. Bij Bogaart loopt de verzameling van 112 stukken op acht cd’s van circa 1599 tot 2007; van de Almande de la Nonette van Susanne van Soldt, voor klavecimbel, tot het Skrjabineske Something for piano II van Jaap Nico Hamburger (1957). Aan klavecimbels of fortepiano’s doet hij trouwens niet. Alles speelt hij op een moderne vleugel, indachtig de fraaie uitspraak van Anner Bijlsma: ‘De authenticiteit zit niet zozeer in het instrument alswel in de echtheid van de overdracht.’

Bogaart heeft 35 jaar gewerkt aan zijn monument, dat een sterk persoonlijk karakter heeft. De selectie van de stukken geschiedde op zíjn voorwaarden, liep door het filter van zíjn smaak, zoals dat bij elke serieuze anthologie het geval is. De liefde en het enthousiasme voor de gekozen muziek moeten vervolgens het werk doen.
En wat is er nog steeds een hoop werk te verrichten in een land waarin componisten nooit veel hebben voorgesteld. ‘Wie in Nederland tot componeren gedoemd is, is te beklagen,’ schreef Alphons Diepenbrock in 1915 al. Dat moge zo zijn, Jacob Bogaart laat horen dat het prettig was dat velen het toch bleven proberen, want wat staat er op deze cd’s veel prachtige muziek – en vooral veel muziek die vrijwel niemand kent. Een van de weinige uitzonderingen staat op cd 1. De muziek van Jan Pieterszoon Sweelinck, naar wie menige straat en plein is vernoemd. Zijn gezicht is ontelbare malen door smoezelige duimen van landgenoten betast. Hij stond op het 25 guldenbiljet.
Sweelincks bewerking van John Dowlands Lachrymae is zeer mooi, maar dat Sweelinck iets kon, was geen nieuws. Dat het ook geldt voor Susanne van Soldt (1586-1615), Georg Breff (1650-1700) en Gisbert Steenwick (1642-1679), is dat wel. En we danken Bogaart beleefd dat hij hiermee deuren heeft geopend die lang achter metershoge brandnetels verborgen zijn gebleven.

Goed beschouwd is deze hele Art of Dutch keyboard music een ontdekkingsreis, want er staat niet één stuk op de acht cd’s dat repertoire heeft gemaakt, terwijl dat puur op notenniveau bekeken best had gekund, of zelfs zo had moeten zijn. Het Concertino voor piano en orkest van Henriëtte Bosmans bijvoorbeeld, het licht derivatieve karakter ten spijt (Ravel, Stravinsky), of anders het Scherzo voor piano en orkest van Léon Orthel. Een knappe jongen die zulke goed klinkende, uitbundige muziek kan schrijven. Erg fraai is ook het Pianokwintet op. 5 uit 1901 van Dirk Schäfer (1873-1931), hier in een topuitvoering van Bogaart met het Raphael Kwartet. Schäfer is met vijf stukken aanwezig, wat misschien wat veel van het goede is, zeker als je bedenkt dat van Rudolf Escher, een van de begaafdste Nederlandse componisten van de twintigste eeuw, elk spoor ontbreekt. Hij zou ook precies hebben gepast in het straatje van Bogaart, die nadrukkelijk niet heeft gekozen voor de modernistische hemelbestormers, maar voor de gematigden, die zich in Nederland op enkele uitzonderingen na (Schäfer, Badings) spiegelden aan Franse rolmodellen, en de beknoptheid van de novelle prefereerden boven het epische van de kloeke roman. In het slechtste geval – Ary Verhaar (1900-1994) – levert dat welluidende muziek zonder een eigen signatuur op.
Om die reden is het gedurfd dat Bogaart een vroege modernist als Jacob van Domselaer ruimte heeft gegeven. Van Domselaer was met de 7 proeven van stijlkunst rond 1915 zijn tijd ver vooruit, maar ook hij is natuurlijk in het grote vergeetboek terechtgekomen.

Erik Voermans, 2015

Originele Bron: Parool – Blendle